Genius Holding

Genius Holding

Er bestaat geen recht op aftrek van voorbelasting voor BTW die uitsluitend is
verschuldigd op grond van de vermelding ervan op de factuur. Er bestaat alleen recht op aftrek van voorbelasting als die echt verschuldigd was. Ten onrechte berekende BTW op een factuur is dus niet aftrekbaar.

Arrest
1 Bij arrest van 28 oktober 1987, ingekomen ten Hove op 4 november daaraanvolgend,
heeft de Hoge Raad der Nederlanden twee prejudiciële vragen gesteld over
de uitlegging van een aantal bepalingen van de Zesde richtlijn (77/3 8 8/EEG) van
de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der
Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over
de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1) (hierna: de
Zesde richtlijn).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de fiscale eenheid Genius Holding
BV (ten tijde van de feiten genaamd Genius BV, verzoekster in het hoofdgeding,
hierna: verzoekster), een te IJmuiden gevestigde onderneming voor montage-
en fabricagewerkzaamheden, en de staatssecretaris van Financiën.
3 Verzoekster, die bij de uitvoering van haar opdrachten gebruik maakt van onderaannemers,
werd over het tijdvak 1 juli tot en met 31 december 1982 een naheffingsaanslag
opgelegd, aangezien zij, in strijd met de geldende wettelijke bepalingen,
de door twee onderaannemers, te weten Vissers Pijpleiding en Montage BV
en Montagebedrijf J. van Mierlo, aan Genicon Montage BV in rekening gebrachte
BTW in aftrek had gebracht op de door haar verschuldigde omzetbelasting.
4 Nadat de Inspecteur der Omzetbelasting het door verzoekster tegen die aanslag
ingediende bezwaarschrift had afgewezen, stelde deze laatste beroep in bij het Gerechtshof
te Amsterdam, dat de bestreden uitspraak bevestigde.
5 In cassatie is de Hoge Raad van oordeel, dat naar Nederlands recht aftrek slechts
is toegestaan, indien de op de factuur vermelde belasting ook daadwerkelijk verschuldigd
is. Overeenkomstig de zogeheten verleggingsregeling, die in Nederland,
na door de Raad op grond van artikel 27 van de Zesde richtlijn verleende machtiging,
tot stand is gebracht en die van toepassing is op activiteiten als die van verzoekster,
is de onderaannemer geen BTW verschuldigd ter zake van de ten behoeve
van de aannemer verrichte prestaties, aangezien die BTW uitsluitend door
de aannemer behoeft te worden voldaan over het bedrag dat hij de opdrachtgever
in rekening brengt. Bijgevolg kan verzoekster de BTW niet aftrekken, nu deze
haar door de onderaannemers in strijd met bovengenoemde regeling in rekening is
gebracht.
6 De Hoge Raad vraagt zich af of een dergelijk stelsel wel strookt met de Zesde
richtlijn, en heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de
volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Strekt het in de Zesde richtlijn voorziene recht op aftrek zich uit tot de belasting
die uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding ervan op de
factuur ?
2) Zo ja, biedt die richtlijn de Lid-Staten dan ruimte tot het door middel van aan
de factuur te stellen eisen uitsluiten — hetzij geheel, dan wel in bijzondere
gevallen — van het recht op aftrek van zodanige belasting ?”
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de
bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport
ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven
voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Met het oog op de beantwoording van de eerste vraag moet worden opgemerkt,
dat de belastingplichtige ingevolge artikel 17, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn
van de door hem verschuldigde belasting mag aftrekken:
„de belasting over de toegevoegde waarde, welke verschuldigd of voldaan is voor
de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en
voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten
diensten”.
9 Verzoekster en de Commissie betogen dat die bepaling aldus moet worden uitgelegd,
dat alle belasting die op de factuur staat vermeld, mag worden afgetrokken.
10 Volgens hen is het in strijd met het doel van de aftrekregeling om die bepaling
aldus uit te leggen, dat enkel aftrek mogelijk is van ter zake van leveringen of
diensten verschuldigde belasting. Gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 14 februari
1985 (zaak 268/83, Rompelman, Jurispr. 1985, blz. 655), heeft die aftrekregeling
immers tot doel, een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische
activiteiten te waarborgen, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die
activiteiten, mits zij op zich aan de heffing van BTW zijn onderworpen. Ingevolge
artikel 21, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn is de BTW verschuldigd door ieder
die deze vermeldt op een factuur of een als zodanig dienst doend document, zelfs
indien zij niet krachtens de wet verschuldigd is. Zo men nu in een dergelijk geval
het recht op aftrek uitsloot, zou dat betekenen dat een activiteit werd belast in
strijd met het beginsel van neutraliteit van de BTW.
11 Bovendien zou een dergelijke uitlegging inhouden, dat de betrokken economische
subjecten verplicht zijn te controleren of de gefactureerde BTW ook wettelijk verschuldigd
is, en daarvoor is een beoordeling van de gekozen tariefindeling en bekendheid
met de toegekende vrijstellingen noodzakelijk. Dit zou niet bevorderlijk
zijn voor een goed verloop van de handelsbetrekkingen.
12 Dienaangaande moet vooreerst worden opgemerkt, dat de Raad bij de formulering
van artikel 17, lid 2, sub a, zowel is afgeweken van de formulering van artikel
11, lid 1, sub a, van de Tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967
(PB 1967, blz. 1303) als van die van artikel 17, lid 2, sub a, van het voorstel van
de Commissie voor de Zesde richtlijn (PB 1973, C 80, blz. 1); volgens die twee
bepalingen mocht de belastingplichtige immers alle belasting aftrekken die hem
was gefactureerd voor de hem geleverde goederen en voor de te zijnen behoeve
verrichte diensten.
13 Uit de ten opzichte van die bepalingen aangebrachte wijziging valt af te leiden, dat
er enkel recht op aftrek bestaat voor belasting die verschuldigd is — dat wil zeggen
belasting ter zake van een aan de BTW onderworpen handeling — of die is
voldaan voor zover zij verschuldigd was.
14 Deze uitlegging van artikel 17, lid 2, sub a, vindt bevestiging in andere bepalingen
van de Zesde richtlijn.
is Volgens artikel 18, lid 1, sub a, moet de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek
te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een overeenkomstig artikel 22,
lid 3, sub b, opgestelde factuur, dat wil zeggen dat in de factuur afzonderlijk
moeten zijn vermeld: de prijs exclusief belasting, de belasting volgens elk afzonderlijk
tarief, alsook, in voorkomend geval, de vrijstelling. Volgens genoemde bepalingen
is het recht op aftrek dus afhankelijk van de voorwaarde, dat op de factuur
de belasting wordt vermeld die ter zake van de geleverde goederen en de
verrichte diensten verschuldigd is. Bijgevolg bestaat dat recht niet voor belasting
die niet aan een bepaalde handeling is gerelateerd, hetzij omdat zij hoger is dan de
wettelijk verschuldigde, hetzij omdat de betrokken handeling niet aan de BTW is
onderworpen.
16 Verder bepaalt artikel 20, lid 1, aanhef en sub a: „De oorspronkelijk toegepaste
aftrek wordt op de door de Lid-Staten vastgestelde wijze herzien, met name… indien
de aftrek hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was
toe te passen.” Dit betekent, dat wanneer de oorspronkelijk toegepaste aftrek niet
overeenkomt met de wettelijk verschuldigde belasting, die aftrek moet worden herzien,
zelfs indien hij wel overeenstemt met het op een factuur of een als zodanig
dienstdoend document vermelde belastingbedrag.
17 Deze uitlegging van artikel 17, lid 2, sub a, is ook de beste wanneer het erom
gaat, belastingfraude tegen te gaan. Indien alle gefactureerde belasting kon worden
afgetrokken, zou het immers gemakkelijker zijn om fraude te plegen.
18 Wat ten slotte het argument van verzoekster en de Commissie betreft, dat wanneer
het recht op aftrek werd beperkt tot de belasting die gerelateerd is aan de levering
van goederen en de verrichting van diensten, het beginsel van neutraliteit van de
BTW zou worden aangetast, moet worden opgemerkt, dat het aan de Lid-Staten
staat, in hun nationale recht de mogelijkheid op te nemen om, wanneer de opsteller
van de factuur te goeder trouw blijkt te zijn, alle ten onrechte gefactureerde
belasting te herzien.
19 Op de eerste vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat het recht op aftrek,
voorzien in de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, zich
niet uitstrekt tot de belasting die uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding
ervan op de factuur.
20 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede prejudiciële vraag
geen beantwoording.
Kosten
21 De kosten door de Nederlandse, de Spaanse en de Duitse regering en de Commissie
van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij
het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien
van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen
incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE verklaart voor recht:

De uitoefening van het recht op aftrek, voorzien in de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, strekt zich niet uit tot de belasting die uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding ervan op de factuur.

Bron: Hof van Justitie EG,  Genius Holding, 13 december 1989, C-342/97

Auteur: de Redactie

Een team van BTW-deskundigen is continue bezig met jou te informeren over alles wat met BTW of omzetbelasting te maken heeft, zoals nieuwsberichten over BTW, wijzigingen van wetgeving, wijziging van BTW-tarieven en veel meer informatie over BTW.

Deel deze post op

Geef een reactie