Onjuiste tenaamstelling informatiebeschikking > vernietiging?

Leidt onjuiste tenaamstelling van een informatiebeschikking tot vernieting van deze informatiebeschikking? Gelet op de briefwisseling tussen partijen vóór de vaststelling van de onderhavige informatiebeschikking en gelet op de vermelding in de informatiebeschikking dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR, kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs geen misverstand erover bestaan dat de onderhavige informatiebeschikking ten aanzien van belanghebbende is genomen.

rechtspraak

Tenaamstelling

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de onderhavige informatiebeschikking wegens een onjuiste tenaamstelling ervan dient te worden vernietigd. De informatiebeschikking is volgens belanghebbende immers niet op zijn naam gesteld maar op naam van zijn gemachtigde. De Inspecteur betwist dat de onderwerpelijke informatiebeschikking een onjuiste tenaamstelling bevat. De informatiebeschikking is volgens de Inspecteur op naam van belanghebbende gesteld.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AWR geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De bekendmaking van een aanslag is geen voorwaarde voor de totstandkoming ervan (HR 29 juni 2012, nr. 11/03759, ECLI:NL:HR:2012:BW0194). Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 3 december 2010, nr. 09/00174, ECLI:NL:HR:2010:BO5975) geldt met betrekking tot aanslagbiljetten dat de tenaamstelling een essentieel onderdeel van het aanslagbiljet vormt. Een onjuiste tenaamstelling van een aanslagbiljet kan in het algemeen niet leiden tot een belastingverplichting. Die regel lijdt evenwel uitzondering indien de tenaamstelling een zodanige geringe onvolkomenheid bevat, dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan voor wie het door de Belastingdienst toegezonden biljet is bestemd (vglHR 31 augustus 1998, nr. 33.569, ECLI:NL:HR:1998:AA2356).

Ofschoon in het tweede lid van artikel 5 van de AWR de regels inzake de vaststelling van een aanslag van overeenkomstige toepassing zijn verklaard met betrekking tot bepaalde door de inspecteur te nemen beschikkingen, is, anders dan belanghebbende betoogt, de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de (onjuiste) tenaamstelling van aanslagbiljetten naar het oordeel van het Hof niet zonder meer van toepassing op andere door de inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikkingen.
Met betrekking tot voor bezwaar vatbare beschikkingen als de onderhavige, gaat het naar het oordeel van het Hof erom dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan voor wie de informatiebeschikking is bestemd.
Gelet op de briefwisseling tussen partijen vóór de vaststelling van de onderhavige informatiebeschikking en gelet op de vermelding in de informatiebeschikking dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR, kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs geen misverstand erover bestaan dat de onderhavige informatiebeschikking ten aanzien van belanghebbende is genomen. Kennelijk bestond aanvankelijk bij de gemachtigde daarover evenmin misverstand, aangezien hij bij brief van 12 december 2011, in zijn hoedanigheid van advocaat-gemachtigde, namens belanghebbende bezwaar tegen de informatiebeschikking heeft gemaakt bij de Inspecteur. Dit betekent dat de informatiebeschikking in zoverre rechtsgeldig is vastgesteld door de Inspecteur. De omstandigheid dat in de aanhef van de informatiebeschikking de naam en het (kantoor)adres van de gemachtigde is genoemd, doet aan deze conclusie niet af. De Inspecteur heeft zulks kennelijk gedaan met het oog op de bekendmaking van de informatiebeschikking aan de vertegenwoordiger van belanghebbende. Evenmin doet aan die conclusie af dat bepaalde vragen in de informatiebeschikking zijn gericht aan de gemachtigde, aangezien de gemachtigde in het debat met de Inspecteur als vertegenwoordiger van belanghebbende optrad. Ook de omstandigheid dat de gemachtigde bij brief van 13 juni 2012 uiteindelijk ook zelf een (voorwaardelijk) bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking heeft ingediend, dwingt niet tot een andersluidende conclusie.

Gelet op het vorenoverwogene, is de onderhavige informatiebeschikking rechtsgeldig vastgesteld door de Inspecteur.

Auteur: de Redactie

Een team van BTW-deskundigen is continue bezig met jou te informeren over alles wat met BTW of omzetbelasting te maken heeft, zoals nieuwsberichten over BTW, wijzigingen van wetgeving, wijziging van BTW-tarieven en veel meer informatie over BTW.

Deel deze post op

Geef een reactie