Belastingdienst heft van uitkeringsgerechtigde met BMW

Iemand ontvangt vanaf 1989 tot 1997 en vanaf 2002 een WAO-uitkering. In het jaar 2002 voor € 28.265 Andere inkomsten zijn niet bekend. Zijn echtgenote heeft geen inkomsten. In 2002 heeft deze persoon een BMW gekocht in Duitsland, waarvoor in totaal door hem een bedrag van € 45.000 is betaald. In contanten. De belastingdienst heeft terecht een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd.
rechtspraak

Datum uitspraak: 07-02-2013
Datum publicatie: 27-02-2013
Rechtsgebied: Belasting
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: FIOD renseignement in de zin van art. 16 AWR. Van ambtelijk verzuim is geen sprake.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 11/001317 februari 2013

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

[X] te [Z], belanghebbende,
gemachtigde: mr. F.J.C. Jansen (Schagen Lensen & Van Krieken Accountants) te Rotterdam

tegen

de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 07/5741 IB/PVV van de rechtbank ’s-Gravenhage

in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond, kantoor Rotterdam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 21 februari 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/Pvv) en bij gelijktijdig genomen beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 9 juli 2007 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 5 februari 2009 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Op het door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage bij uitspraak van 19 maart 2010 de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 18 februari 2011, nr. 10/01617, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.6. Na daartoe door de griffier van het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de inspecteur bij brief van 14 maart 2011 en heeft belanghebbende bij brief van 1 april 2011 op het arrest van de Hoge Raad gereageerd. Van beide brieven is een afschrift aan de wederpartij gezonden.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2013. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgesteld waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Het Hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank vastgestelde feiten, waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ’verweerder’:

2.1.  Eiser geniet sinds 1989 tot 1997 en vanaf 2002 aan inkomsten een WAO-uitkering, in het jaar 2002 ten bedrage van € 28.265. Andere inkomsten zijn niet bekend. Zijn echtgenote geniet geen inkomsten.

2.2.  In 2002 heeft eiser een personenauto van het merk BMW (hierna: de BMW) gekocht in Duitsland. Deze auto is vervolgens via de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna RDW) met een Nederlands kenteken op zijn naam gezet. In totaal is door hem voor de BMW een bedrag van € 45.000 betaald, in contanten. Dit is inclusief de betaalde belasting voor personenauto’s en motorrijwielen.

2.3.  Eiser is op 14 april 2006 door de Fiod/ECD als getuige gehoord in een onderzoek naar de invoer van personenauto’s vanuit Duitsland. Naar aanleiding van het opgemaakte proces-verbaal heeft verweerder bij brief van 13 december 2006 eiser vragen gesteld over de BMW. Vervolgens is tussen eiser en verweerder een correspondentie gevoerd waarna aan eiser de hier in geding zijnde navorderingsaanslag is opgelegd.

Het Hof zal de in 2.2 vermelde auto evenals de rechtbank aanduiden als ‘de BMW’.

2.2. In aanvulling daarop stelt het Hof nog vast dat aan belanghebbende voor het jaar 2002 geen aangiftebiljet IB/Pvv is uitgereikt, dat hij geen aangifte heeft gedaan en dat hem geen (primitieve) aanslag is opgelegd.

3. Geschil in hoger beroep na verwijzing

3.1. In hoger beroep na verwijzing is nog in geschil of de inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag op te leggen.

3.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof voor naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Gelet op het verwijzingsarrest deelt het Hof het gemeenschappelijke uitgangspunt van partijen dat na verwijzing uitsluitend in geschil is of de inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag op te leggen.

4.2. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij over het vereiste nieuwe feit beschikt. Hij is (kort) na 14 april 2006 door middel van een renseignement van de FIOD op de hoogte gekomen van de aankoop door belanghebbende van de BMW. Dit renseignement is het nieuwe feit. Van de aankoop van de BMW kon en behoefde hij niet eerder op de hoogte te zijn. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat hij tot navordering bevoegd was omdat belanghebbende bij het (niet) doen van aangifte te kwader trouw was.
Overigens is de inspecteur van mening dat belanghebbende zich in hoger beroep niet meer op het ontbreken van een nieuw feit heeft kunnen beroepen, nu blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank desgevraagd door diens gemachtigde is verklaard ‘dat het subsidiaire standpunt, inzake de aanwezigheid van een nieuw feit, niet langer wordt gehandhaafd.’

4.3. Belanghebbende betwist op zichzelf niet dat het FIOD-renseignement de inspecteur niet eerder dan op 14 februari 2006 heeft bereikt, maar is van mening dat de inspecteur reeds eerder over zodanige informatie kon beschikken en dat het niet opleggen van een (primitieve) aanslag aan belanghebbende onder deze omstandigheid een ambtelijk verzuim inhoudt. Tevens betwist hij dat aan zijn kant sprake zou zijn van kwade trouw.
Belanghebbende is overigens van mening dat hij zich in het hoger beroep alsnog kon beroepen op het ontbreken van het vereiste nieuwe feit.

4.4. Met betrekking tot de vraag of de inspecteur over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte, oordeelt het Hof als volgt.

4.5. Ingevolge de eerste volzin van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft de inspecteur, kort gezegd, een ‘nieuw feit’ nodig om te kunnen navorderen. Uit de tweede volzin van dat artikellid volgt de eis dat het ‘nieuwe feit’ waarop de inspecteur zich beroept, hem ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag – of, zoals in het onderhavige geval – bij het einde van de in artikel 11, derde lid, van de AWR, bedoelde termijn waarbinnen hij de primitieve aanslag mocht opleggen, niet bekend was. Aan deze eis is voldaan. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het feit’ waarop de inspecteur zich beroept, te weten het FIOD-renseignement, hem niet eerder dan op 14 april 2006 bekend werd, terwijl de aanslagtermijn op 31 december 2005, 24.00 uur, was verstreken.

4.6. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de inspecteur over het vereiste ‘nieuwe feit’ beschikt. In de tweede volzin van artikel 16, eerste lid, van de AWR is eveneens opgenomen de bepaling dat een feit dat de inspecteur redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering kan opleveren. Op deze bepaling beroept belanghebbende zich met zijn stelling dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan dat aan navordering in de weg staat. Het Hof merkt nog op dat ook hier als toetsingsmoment het verstrijken van de aanslagtermijn op 31 december 2005, 24.00 uur, heeft te gelden.

4.7. Tot het renseignement waarop de inspecteur zich beroept, behoorden blijkens bijlage A bij het verweerschrift van de inspecteur in eerste aanleg, onder meer de volgende stukken:
– Een uitdraai gedagtekend 14 april 2006, afkomstig van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) waaruit blijkt dat in de periode 17 juni 2002 tot en met 17 september 2003 (het kenteken 00-AA-BB van) de BMW ten name van belanghebbende was gesteld in de RDW-registratie en de registratie voor de motorrijtuigenbelasting.
– Een berekening gedagtekend 1 juli 2002 opgesteld door [A] op het aangiftepunt BPM Schiedam waarin de door belanghebbende voor de BMW verschuldigde BPM is berekend op € 10.663,00.
– Een proces-verbaal van verhoor op 14 april 2006 van belanghebbende als getuige door ambtenaren van de Belastingdienst/FIOD-ECD in het kader van een onderzoek met betrekking tot de handel in (geïmporteerde) auto’s.

4.8. De gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de informatie waarmee de inspecteur naar de mening van belanghebbende redelijkerwijs bekend kon zijn, bestond uit de betaling van de BPM, de registratie bij de RDW en de betaling van de motorrijtuigenbelasting. Al deze informatie leidde naar belanghebbende en stond ter beschikking van de Belastingdienst als geheel en dus ook van de inspecteur. Voorts ontbraken in het dossier van belanghebbende de jaaropgaven van het GAK voor de jaren 1998 tot en met 2001. Het GAK had die jaaropgaven niet gerenseigneerd, maar de inspecteur had daar navraag naar moeten doen.

4.9. Naar ’s Hofs oordeel kan van de functionaris die bevoegd is tot en belast is met het regelen van een aanslag IB/Pvv van een belastingplichtige (hierna ook: de inspecteur) in redelijkheid niet worden verlangd dat hij telkens – en zelfs wanneer geen aangifte is gedaan – informatie betreffende een mogelijke betaling van BPM en motorrijtuigenbelasting van die belastingplichtige inwint, en evenmin dat hij nagaat of wellicht ten name van die belastingplichtige een of meer auto’s bij de RDW staan geregistreerd. Zulks heeft anders kunnen zijn indien de inspecteur reeds bekend zou zijn geweest met een bijzondere omstandigheid die hem tot het opvragen van de hiervoor bedoelde informatie zou nopen. In casu heeft belanghebbende geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat zich zo’n bijzondere omstandigheid heeft voorgedaan, en ook overigens is daarvan niet gebleken. Het Hof is derhalve van oordeel dat de inspecteur voordat hem het renseignement bereikte, niet van de daarin opgenomen informatie op de hoogte behoefde te zijn.

4.10. Ook overigens heeft belanghebbende geen feiten aangevoerd waaruit kan volgen dat de inspecteur (uiterlijk op 31 december 2007) redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de informatie die uit het renseignement bleek.

4.11. Het Hof acht de vraag of de inspecteur bekend had moeten zijn met de jaaropgaven van het GAK niet relevant voor de beoordeling van de vraag of de inspecteur met het renseignement over een nieuw feit kwam te beschikken. Inhoudelijk hebben deze jaaropgaven immers niets te maken met de informatie die uit het renseignement naar voren kwam. Hetzelfde geldt voor het argument van belanghebbende dat belanghebbende in een nadelige bewijspositie zat doordat hij in 2006 niet meer beschikte over zijn bankafschriften van het jaar 2002.

4.12. Op grond van het vorenoverwogene oordeelt het Hof dat de inspecteur over het voor navorderen vereiste nieuwe feit beschikte. Het gelijk is daarmee aan de inspecteur. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Nu de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 Awb voor de procedure in hoger beroep voor het Hof ’s-Gravenhage en (na verwijzing) voor het Hof Amsterdam.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en A.M.J.G. van Amsterdam, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier. De beslissing is op 7 februari 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

LJN: BZ2246, Gerechtshof Amsterdam , 11/00131

Auteur: de Redactie

Een team van BTW-deskundigen is continue bezig met jou te informeren over alles wat met BTW of omzetbelasting te maken heeft, zoals nieuwsberichten over BTW, wijzigingen van wetgeving, wijziging van BTW-tarieven en veel meer informatie over BTW.

Deel deze post op