Overdrachtsbelasting bij inbreng van onderneming

Overdrachtsbelasting bij inbreng van onderneming

Overdrachtsbelasting. De inspecteur heeft terecht de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd op grond van de feiten en omstandigheden op het moment van inbreng van de onderneming. Eventuele wijzigingen nadien, alsmede de intentie van belanghebbende, hebben geen invloed op die feiten en dus ook niet op de heffing.

Datum uitspraak: 24-02-2012
Datum publicatie: 26-03-2012
Rechtsgebied: Belasting
Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: De inspecteur heeft terecht de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd op grond van de feiten en omstandigheden op het moment van inbreng van de onderneming. Eventuele wijzigingen nadien, alsmede de intentie van belanghebbende, hebben geen invloed op die feiten en dus ook niet op de heffing.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3129

Uitspraakdatum: 24 februari 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],
belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,
de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 5 juli 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting (aanslagnummer [nummer]).

Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigden], beiden verbonden aan [accountantskantoor] en namens de inspecteur, [gemachtigden].  

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is opgericht op [datum] 2007. Aandeelhouders van belanghebbende zijn [aandeelhouders]. Bij de oprichting is door de aandeelhouders ruisend ingebracht, hun aandeel in de onderneming “[onderneming]” die voorheen werd gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. Tot het ondernemingsvermogen behoorden twee onroerende zaken, plaatselijk bekend als [onroerende zaken]. Ter zake van de verkrijging van deze onroerende zaken is in de inbrengakte door belanghebbende een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).

2.2.Het positief saldo van het ingebrachte ondernemingsvermogen bedroeg € 846.719. Na het voldoen aan de stortingsverplichting op de uit te reiken aandelen van € 18.000, resteert een overinbreng van € 828.719. Tot een totaalbedrag van € 187.118 hebben [aandeelhouders] lijfrenten bedongen bij belanghebbende voor de FOR en stakingswinst. Aldus resteerde een overinbreng voor [aandeelhouder A] van € 329.333 en voor [aandeelhouder B] van € 312.268. Tot het bedrag van deze overinbreng zijn beiden gecrediteerd. In de jaarrekening van belanghebbende voor de jaren 2007 en 2008 is de creditering verwerkt onder de post langlopende schulden als een schuld aan de aandeelhouders. Over deze schuld is in die jaren rente berekend.

2.3.Bij brief van 27 april 2009 heeft de inspecteur belanghebbende op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op te leggen. Volgens de inspecteur is niet voldaan aan het crediteringsmaximum van 10%, zoals opgenomen in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (hierna: UBRV).

2.4.Met dagtekening 1 oktober 2009 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd tot een bedrag van € 107.040. Gelijktijdig daarmee is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 4.537 en aan heffingsrente in rekening gebracht een bedrag van € 11.239.

2.5.In geschil is of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, ten tweede WBR van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet voldoet aan het crediteringsmaximum van artikel 5 UBRV.

2.6.Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e, ten tweede van de WBR bepaalt, voor zover thans van belang, het volgende: “1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
(…)
e. krachtens inbreng van een onderneming in een vennootschap, in de volgende gevallen:
(…)
2o bij omzetting van een niet in de vorm van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming in een wel in zodanige vorm gedreven onderneming, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming.”

2.7.In artikel 5 UBRV is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 2o, bedoelde vrijstelling bij omzetting van een niet in de vorm van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, (…), in een naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is van toepassing indien alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva die een functie vervullen binnen de onderneming worden ingebracht tegen toekenning van aandelen, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming.
2. Onder toekenning van aandelen wordt begrepen het geval waarin naast de toekenning van aandelen tevens een bedrag in geld wordt betaald van ten hoogste 10 percent van de waarde van hetgeen op de aandelen is gestort, met dien verstande dat ingeval de omzetting plaatsvindt met toepassing van artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dit bedrag kan worden gesteld op het bedrag waarvoor de ondernemer op grond van de aan deze toepassing verbonden voorwaarden wordt gecrediteerd.”

2.8.Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het van meet af aan de bedoeling is geweest om de creditering om te zetten in agio, maar dat die omzetting door tijdsdruk niet heeft plaatsgevonden. Volgens belanghebbende heeft de schuld feitelijk gefungeerd als informeel kapitaal en is dat vrijwel gelijk aan agio. Naar haar mening zou een rectificatie van de inbrengakte nog tot de mogelijkheden moeten behoren. Tot slot stelt belanghebbende dat zij geen onrechtmatigheid heeft gepleegd teneinde fiscaal voordeel te behalen.

2.9.Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is, waarbij de verkrijging van de onroerende zaken het belastbaar feit doet ontstaan. Op dat tijdstip ontstaat een voor partijen bindende creditering. Het achteraf omzetten van een te hoge creditering in agio maakt het belastbaar feit niet ongedaan. De wettelijke bepalingen bieden geen mogelijkheden, laten noch ruimte om tegemoet te komen aan het verzoek van belanghebbende tot herstel (met terugwerkende kracht) van de te hoge creditering.

2.10.Nu tussen partijen niet in geschil is dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 UBRV, is de rechtbank van oordeel dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, ten tweede WBR terecht achterwege is gebleven. De door belanghebbende genoemde omstandigheden maken dit niet anders. De overdrachtsbelasting is een zogenoemde ‘tijdstipbelasting’, waardoor uitsluitend de feiten en omstandigheden op het moment van inbreng bepalend zijn. Eventuele wijzigingen nadien hebben derhalve geen invloed op die feiten en dus ook niet op de heffing.

2.11.Voorts merkt de rechtbank op dat de wet van toepassing is op de feiten zoals die hebben plaatsgevonden en niet ziet op de intentie van een belastingplichtige indien die niet met de daadwerkelijke feitelijke situatie overeenstemt. De rechtbank laat daarom in het midden of belanghebbende die intentie daadwerkelijk had bij de inbreng.

2.12.Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de inspecteur en is het beroep ongegrond verklaard.

2.13.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, en
mr. W.A.P. van Roij en mr.dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr.drs. M.H. van Schaik, griffier.

De griffier,  De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 maart 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Bron: LJN BV9967, Rechtbank Breda, 24 februari 2012, 10/3129

Auteur: de Redactie

Een team van BTW-deskundigen is continue bezig met jou te informeren over alles wat met BTW of omzetbelasting te maken heeft, zoals nieuwsberichten over BTW, wijzigingen van wetgeving, wijziging van BTW-tarieven en veel meer informatie over BTW.

Deel deze post op

Geef een reactie