Beroep op gelijkheidsbeginsel

Beroep op gelijkheidsbeginsel

Belanghebbende heeft bij voorlopige teruggaaf de algemene heffingskorting van € 1.894 ontvangen. Uiteindelijk bleek belanghebbende slechts recht te hebben op een teruggaaf van € 255. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur de ten onrechte verleende heffingskorting teruggenomen. Belanghebbende is van mening dat het gelijkheidsbeginsel zich hiertegen verzet. Slechts de gevallen waarin de teruggaaf van de algemene heffingskorting op eigen initiatief van de Belastingdienst, zonder dat de belastingplichtige daarom heeft gevraagd, heeft plaatsgevonden, zijn in dit verband als gelijke gevallen aan te merken. Belanghebbende heeft twee van dergelijke gevallen aangedragen waarin ten onrechte verleende heffingskortingen door de inspecteur niet zijn teruggenomen. Het ligt vervolgens op de weg van de inspecteur aan te tonen dat in een tenminste even groot aantal gelijke gevallen het terugnemen van ten onrechte verleende heffingskortingen wél is gebeurd. De inspecteur heeft gesteld dat er tientallen, mogelijk honderden, van dergelijke gevallen zijn geweest. Het automatiseringssysteem van de Belastingdienst is echter niet zodanig ingericht dat de inspecteur deze gevallen boven water heeft kunnen krijgen. Het hof acht de inspecteur niet geslaagd in zijn bewijslast. Het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel slaagt. De aanslag wordt verminderd tot nihil.

Datum uitspraak: 16-03-2012
Datum publicatie: 13-04-2012
Rechtsgebied: Belasting
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Belanghebbende heeft bij voorlopige teruggaaf de algemene heffingskorting van € 1.894 ontvangen. Uiteindelijk bleek belanghebbende slechts recht te hebben op een teruggaaf van € 255. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur de ten onrechte verleende heffingskorting teruggenomen. Belanghebbende is van mening dat het gelijkheidsbeginsel zich hiertegen verzet. Slechts de gevallen waarin de teruggaaf van de algemene heffingskorting op eigen initiatief van de Belastingdienst, zonder dat de belastingplichtige daarom heeft gevraagd, heeft plaatsgevonden, zijn in dit verband als gelijke gevallen aan te merken. Belanghebbende heeft twee van dergelijke gevallen aangedragen waarin ten onrechte verleende heffingskortingen door de inspecteur niet zijn teruggenomen. Het ligt vervolgens op de weg van de inspecteur aan te tonen dat in een tenminste even groot aantal gelijke gevallen het terugnemen van ten onrechte verleende heffingskortingen wél is gebeurd. De inspecteur heeft gesteld dat er tientallen, mogelijk honderden, van dergelijke gevallen zijn geweest. Het automatiseringssysteem van de Belastingdienst is echter niet zodanig ingericht dat de inspecteur deze gevallen boven water heeft kunnen krijgen. Het hof acht de inspecteur niet geslaagd in zijn bewijslast. Het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel slaagt. De aanslag wordt verminderd tot nihil.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector belastingrecht
Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00600

Uitspraak op het hoger beroep van

X te Y,
hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 september 2009, nummer AWB 09/1023 in het geding tussen

belanghebbende,

en

De voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Oost Brabant/kantoor Helmond van de rijksbelastingdienst
hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft met dagtekening 15 januari 2005 voor het jaar 2005 een voorlopige teruggaaf in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ontvangen ten bedrag van € 1.894. Deze teruggaaf bestaat uit de algemene heffingskorting.

1.2. Met dagtekening 12 november 2008 is aan belanghebbende voor het jaar 2005 een definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij van de hiervoor genoemde heffingskorting een bedrag van € 1.639 is teruggevorderd, vermeerderd met een bedrag aan heffingsrente van € 219.

1.3. De aanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 19 februari 2009 gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak van 21 september 2009 heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het de heffingsrente betreft, de beschikking heffingsrente vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

1.6. De Inspecteur heeft gedagtekend 21 december 2009 een verweerschrift ingediend, waarbij onder meer als bijlage 4 is gevoegd een enveloppe waarin zich ongeanonimiseerde stukken bevinden van drie door hem op pagina 3, 2e alinea van het verweerschrift genoemde procedures dan wel uitspraken op bezwaren van derden en waarvoor hij zich beroept op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

1.7. Bij brief van 15 maart 2010 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer de Inspecteur uitgenodigd een nadere schriftelijke reactie in te dienen.

1.8. Bij brief van 24 maart 2010 reageert de Inspecteur op de brief van de geheimhoudingskamer van 15 maart 2010. De Inspecteur is van mening dat het voor de toetsing van het meerderheidscriterium van belang is dat het Hof inzage heeft in de stukken van de drie door hem op pagina 3, 2e alinea van zijn verweerschrift genoemde procedures dan wel uitspraken van derden. Op grond van de privacy en de hem opgelegde geheimhoudingsplicht meent de Inspecteur dat deze stukken niet door hem ter inzage mogen worden verstrekt aan belanghebbende. De Inspecteur legt ten slotte bij zijn brief een kopie over van de melding van 4 januari 2010 aan het Ministerie van Financiën, Dgbel, team particulieren en formeel recht.

1.9. Bij brief van 13 april 2010 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer de gemachtigde van belanghebbende uitgenodigd een schriftelijke reactie in te dienen. Die brief luidt als volgt:

‘(…) Bijgaand zend ik u kopieën van de volgende stukken:
1. de aanbiedingsbrief van de Inspecteur van 21 december 2009 bij de toezending van het verweerschrift van diezelfde datum;
2. het verweerschrift van de Inspecteur van 21 december 2009 met de daarin genoemde bijlagen 1, 2 en 3;
3. mijn brief aan de Inspecteur van 15 maart 2010; en
4. de brief van de Inspecteur van 24 maart 2010, met één bijlage.

Namens de geheimhoudingskamer stel ik u hierbij in de gelegenheid schriftelijk te reageren op de onder 3 en 4 genoemde stukken.(…)’.

1.10. Bij brief van 19 april 2010 reageert de gemachtigde van belanghebbende op de hem toegezonden stukken. Hij schrijft dat hij het gedeeltelijk eens is met de stelling van de Inspecteur dat de stukken uit privacyoverwegingen niet aan hem ter beschikking kunnen worden gesteld. Hij ziet echter niet in, waarom de stukken niet in geanonimiseerde vorm aan hem ter beschikking kunnen worden gesteld. Belanghebbende heeft er, aldus gemachtigde, belang bij om na te kunnen gaan of de genoemde zaken inderdaad vergelijkbaar zijn. Hij verzoekt dan ook de geheime stukken in geanonimiseerde vorm aan hem te doen toekomen.

1.11. Een kopie van de brief van de geheimhoudingskamer van
13 april 2010 en het antwoord daarop van de gemachtigde van belanghebbende van 19 april 2010 zijn op 23 april 2010 ter kennisneming aan de Inspecteur verzonden.

1.12. Met betrekking tot de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de stukken van de drie door hem op pagina 3, 2e alinea van zijn verweerschrift genoemde procedures dan wel uitspraken van derden, enkel aan het Hof over te leggen heeft de geheimhoudingskamer bij uitspraak van 31 oktober 2011 , kenmerk 09/00600-GHK beslist als volgt:

“De geheimhoudingskamer:

– verzoekt de Inspecteur binnen twee weken na verzending van deze uitspraak aan de geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is de onder 3.6 genoemde stukken alsnog in het geding te brengen in geschoonde, zoals onder 3.9 beschreven, vorm, en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken;

– verwijst de zaak naar de eerste meervoudige kamer die de hoofdzaak behandelt nadat de Inspecteur de geheimhoudingskamer in vorenbedoelde zin heeft geïnformeerd en stelt het procesdossier daarna ter beschikking van die kamer.”.

1.13. De Inspecteur heeft gereageerd bij brieven van 10 november 2011, 5 december 2011, 7 december 2011 en 19 december 2011. Bij brief van 23 december 2011 van de Griffier van de geheimhoudingskamer zijn kopieën van al deze stukken met de daarbij behorende bijlagen aan belanghebbende gezonden.

1.14. Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende vóór de zitting een nader stuk ingediend, behelzende een verzoek om vergoeding van immateriële schade. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.15. De zitting heeft plaatsgehad op 13 februari 2012 te
‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.16. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.17. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft met dagtekening 15 januari 2005 een voorlopige teruggaaf ontvangen ten bedrage van € 1.894. Deze teruggaaf bestaat uit de algemene heffingskorting.

2.2. Met dagtekening 12 november 2008 is aan belanghebbende de aanslag opgelegd waarbij van de hiervoor bedoelde heffingskorting een bedrag van € 1.639 wordt teruggevorderd, vermeerderd met een bedrag aan heffingsrente van € 219.

2.3. De fiscaal partner van belanghebbende is in het jaar 2005, na aftrek van de op hem van toepassing zijnde heffingskortingen, een bedrag van € 255 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting voor belanghebbende is door de Inspecteur op de voet van het bepaalde in artikel 8.9, tweede lid, van de Wet IB 2001 gemaximeerd op € 255. Belanghebbende heeft per saldo een bedrag van € 255 ontvangen, te weten € 1.894 minus € 1.639.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft uitsluitend nog het antwoord op de volgende vraag:
Verzet het gelijkheidsbeginsel zich ertegen de bij voorlopige teruggaaf ontvangen algemene heffingskorting door middel van de aanslag terug te nemen tot een bedrag van € 1.639?

Belanghebbende heeft bij nader stuk gevraagd om vergoeding van immateriële schadevergoeding. Het Hof zal het verzoek van belanghebbende op een vergoeding voor immateriële schade in behandeling nemen.

Belanghebbende is van mening dat de in geschil zijnde vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
Partijen hebben hieraan ter zitting het volgende – zakelijk weergegeven – toegevoegd.

Belanghebbende

Desgevraagd neem ik aan dat het beleid van de Inspecteur gericht zal zijn geweest op het bij het vaststellen van de definitieve aanslag terug nemen van ten onrechte verleende heffingskorting. Het onderhavige geval dient te worden vergeleken met die waarbij de belastingdienst ongevraagd een teruggaaf heffingskorting heeft verleend. Deze gevallen verschillen van die de Inspecteur heeft aangevoerd omdat dit gevallen betreffen waarbij het initiatief is uitgegaan van de betreffende belanghebbende door middel van een daartoe strekkend verzoek van die belanghebbende dan wel door het indienen van een aangifte waarop een voorlopige aanslag resulteerde in een voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting. Er is derhalve sprake van ongelijke gevallen. Ik weerspreek de stelling van de Inspecteur dat op zijn belastingeenheid tientallen, zo niet honderden gelijke gevallen als die van belanghebbende zijn behandeld. De administratie van de belastingdienst moet dan toch in staat zijn om ten minste 2 van die gevallen boven water te krijgen. Ik persisteer.

De Inspecteur

Tot en met het jaar 2004 werd de teruggaaf heffingskorting op verzoek gegeven of naar aanleiding van de ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering door middel van een voorlopige aanslag. Eerst met ingang van het jaar 2005 heeft de belastingdienst op eigen initiatief algemene heffingskorting teruggegeven. Omdat dit in een hoop gevallen niet terecht was en dientengevolge door middel van een aanslag geredresseerd diende te worden, is dit systeem enkele jaren nadien gewijzigd. De door belanghebbende aangevoerde twee gevallen zijn niet op verzoek, doch geautomatiseerd verwerkt. Desgevraagd deel ik mede dat op mijn belastingeenheid tientallen, zo niet enkele honderden gelijke gevallen zijn behandeld. De systemen zijn echter niet zodanig ingericht dat het voor mij mogelijk was enkele gevallen boven water te krijgen.
Ik heb verder niets toe te voegen aan hetgeen ik mondeling of schriftelijk heb gesteld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vaststelling van de aanslag op nihil en toekenning van het verzoek om immateriële schadevergoeding. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft zich niet uitgelaten omtrent het verzoek om immateriële schadevergoeding.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel zich ertegen verzet de door belanghebbende bij voorlopige teruggaaf ontvangen algemene heffingskorting door middel van de aanslag (nagenoeg geheel) terug te nemen. Ter zitting heeft belanghebbende, desgevraagd door het Hof, medegedeeld dat hij wel aanneemt dat het beleid van de Inspecteur er op was gericht de ten onrechte verleende heffingskortingen bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen terug te nemen. Met betrekking tot de twee door belanghebbende aangevoerde zaken is dat niet gebeurd. Het Hof verstaat het betoog van belanghebbende aldus dat voor zover zulks niet geschiedde, dit niet voortvloeide uit een oogmerk van begunstiging, doch uit een onvoldoende naleving van de ter zake geldende regels. Op grond van de meerderheidsregel kan vervolgens een in rechte te honoreren beroep op het gelijkheidsbeginsel worden gedaan.

4.2. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat met betrekking tot de door de Inspecteur vermelde gevallen geen sprake is van met de onderhavige zaak gelijke gevallen.

4.3. Het Hof is van oordeel dat het door belanghebbende aangebrachte onderscheid tussen – kort weergegeven – het al dan niet op initiatief van de belastingplichtige verlenen van teruggaaf van de heffingskortingen hout snijdt. Het verlenen van een teruggaaf van algemene heffingskorting door middel van een daartoe strekkend verzoek dan wel als gevolg van een naar aanleiding van een ingediende aangifte opgelegde voorlopige aanslag verschilt wezenlijk van de situatie dat de Belastingdienst op eigen initiatief en zonder dat de belastingplichtige daarom heeft gevraagd een algemene heffingskorting terugbetaalt. Zo al niet juridisch dan is in ieder geval sprake van feitelijk, relevant ongelijke gevallen.

4.4. Dit leidt er in de visie van belanghebbende toe dat tegenover de door haar aangevoerde twee gevallen de Inspecteur tenminste twee gelijke gevallen dient te stellen waarin de Inspecteur de teruggaaf van de algemene heffingskorting heeft teruggenomen. Naar belanghebbende stelt is de Inspecteur hier niet in geslaagd.

4.5. Het ligt op de weg van de Inspecteur aan te tonen dat ter zake van de door belanghebbende gestelde gevallen die niet hebben geleid tot het terugnemen van de ten onrechte verleende algemene heffingskorting dit terugnemen in een tenminste even groot aantal gelijke gevallen wel is gebeurd. De door de Inspecteur overgelegde gevallen betreffen gevallen van het jaar 2003 en 2004 waarin uitsluitend op verzoek een voorlopige teruggaaf kon worden verkregen dan wel door middel van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering nadat een aangifte daartoe was ingediend. Dit zijn geen gelijke gevallen. Hetzelfde geldt ten aanzien van twee gevallen van het jaar 2005, aangeduid met procedure 09/1023 en 08/4934, waarin op basis van een aangifte een te hoge voorlopige teruggaaf bij voorlopige aanslag is verleend. Met betrekking tot het geval van het jaar 2005, aangeduid met procedure 07/5367, is, gelijk belanghebbende onweersproken heeft gesteld, niet aan de hand van de (geschoonde) stukken vast te stellen of de voorlopige teruggaaf is vastgesteld op initiatief van de belastingdienst. De conclusie is dat de Inspecteur niet één gelijk geval heeft ingebracht.

4.6. Ter zitting heeft de Inspecteur, desgevraagd door het Hof, aangegeven dat hij niet in staat was gelijke gevallen in te brengen omdat het ‘systeem’ daarin niet kon voorzien. Wel heeft hij gesteld dat er tientallen, zo mogelijk zelfs honderden, gelijke gevallen binnen zijn belastingeenheid zijn geweest die thans niet meer te achterhalen zijn. Nu de Inspecteur deze verklaring eerst ter zitting van het Hof in hoger beroep heeft ingebracht – nadat op zijn verzoek een procedure op de voet van artikel 8:29 van de Awb heeft plaats gevonden – en hij zijn stelling evenmin heeft onderbouwd door middel van een ter zake begrijpelijke en deugdelijke uiteenzetting, doch slechts heeft volstaan met een verwijzing naar het ‘systeem’, acht het Hof de verklaring niet aannemelijk. Het Hof concludeert dat het beroep op de meerderheidsregel slaagt.

4.7. Het gelijk ten aanzien van de in geschil zijnde vraag is aan belanghebbende.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.8. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 14 november 2008. De uitspraak van de Rechtbank op het beroep van belanghebbende is gedateerd 21 september 2009. De bezwaar- en beroepstermijn hebben derhalve in totaal 10 maanden en 1 week bedragen. Het hoger beroep is ingediend op 11 november 2009. De uitspraak van het hoger beroep is op 30 maart 2012. De procedure bij het Hof heeft derhalve 2 jaren, 4 maanden en 3 weken in beslag genomen.

4.9. Voor een belangrijk deel is de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep te verklaren uit de op de voet van artikel 8:29 van de Awb gevoerde geheimhoudingsprocedure. Deze procedure heeft geleid tot de tussenuitspraak van de derde meervoudige belastingkamer van het Hof van 11 oktober 2011. In de omstandigheden van het geval acht het Hof dit geen bijzondere omstandigheid. Van bijzondere omstandigheden is ook overigens niet gebleken. Het Hof concludeert dat de redelijke termijn in hoger beroep derhalve is overschreden met 4 maanden en 3 weken.

4.10. Tot de uitgangspunten zoals vermeld in het hiervoor in 4.8 genoemde arrest behoort eveneens de mogelijkheid dat de voortvarendheid van een eerdere fase de overschrijding van de redelijke termijn in de latere fase compenseert. Het Hof gaat er in deze van uit dat ingeval de termijn van bestuurlijke bezwaarfase, het beroep en het hoger beroep tezamen minder dan 4 jaar is, ruimte voor de voormelde compensatie bestaat. Het Hof zal deze mogelijkheid thans onderzoeken.

4.11. Het Hof constateert dat de procedure gerekend van het moment van het indienen van het bezwaarschrift op 14 november 2008 tot de uitspraak van het Hof op 30 maart 2012 in totaal 3 jaren, 4 maanden en 2 weken in beslag heeft genomen. De voormelde berechting in eerste aanleg, inclusief de bezwaarfase, en de berechting in hoger beroep blijven tezamen derhalve ruim beneden de termijn van 4 jaar. Nu de bezwaar- en beroepsfase 10 maanden en 1 week in beslag hebben genomen, concludeert het Hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in ruime mate wordt gecompenseerd door de eerdere fase. Nu ook overigens geen andere gronden gesteld zijn die een vergoeding wegens immateriële schade rechtvaardigen, wijst het Hof het verzoek daartoe af.

Slotsom

4.12. De slotsom is dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, behoudens voor zover het betreft de beschikking heffingsrente, alsmede de vergoeding voor tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar en de proceskosten. Het Hof zal het beroep voor het overige gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur vernietigen voor zover het betreft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de aanslag verminderen tot nihil. Voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn acht het Hof geen gronden aanwezig.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 110 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.15. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.092,50. Hierbij rekent het Hof 1 punt voor het indienen van het verweerschrift, een halve punt van het op de voet van artikel 8:45 van de Awb verstrekken van nadere inlichtingen en 1 punt voor het verschijnen ter zitting.

5. Beslissing

Het Hof
– verklaart het hoger beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de beschikking heffingsrente, het griffierecht en de proceskosten,
– vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur voor zover het betreft de aanslag,
– vermindert de aanslag tot nihil,
– gelast dat de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 110 vergoedt,
– veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.092,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 16 maart 2012
door J.W.J. Huige, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en L.M. Brouwer-Harten, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) een dagtekening;
c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d) de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Bron: LJN BW2241, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 16 maart 2012, 09/00600

Auteur: de Redactie

Een team van BTW-deskundigen is continue bezig met jou te informeren over alles wat met BTW of omzetbelasting te maken heeft, zoals nieuwsberichten over BTW, wijzigingen van wetgeving, wijziging van BTW-tarieven en veel meer informatie over BTW.

Deel deze post op

Geef een reactie